Categorie archief: poetry

Taliesin

Een volksverhaal uit Wales genaamd “Hanes Taliesin”, geleerd tijdens de bardenopleiding en hier opnieuw verteld voor mijn vrienden en familie
Lang geleden, nog voor de tijd van koning Arthur en Merlijn, leefden er een Heer en zijn Dame in een groot kasteel bij het meer van Bala. De dame was de Godin Ceridwen, de godin van de oogst en de sikkelvormige maan. Ze had lang rood haar, prachtige blauwe ogen, mooie brede schouders en vervulde sommigen met ontzag en devotie maar bracht bij anderen angst en afgrijzen teweeg. Er waren er ook die betwistten dat ze een godin was, “Ceridwen is een heks” zeiden ze dan, terwijl je aan hun stem kon horen dat ze bang waren van die vrouw die haar gedaante in een oogwenk kon transformeren in een raaf of ander dier. Heer Tegid, haar echtgenoot, was zelden thuis, maar samen hadden ze twee kinderen, hun mooie, lieflijke en intelligente dochter Creirwy en een zoon Morfran, wat “zeeraaf” betekent. Morfran was lelijk, en wel zo lelijk dat hij soms “Afgaddu” werd genoemd wat ultieme duisternis betekent. Mensen vonden hem zelfs zo eng dat ze hem nauwelijks aan durfden te kijken.

Op een avond toen ze naar haar slapende kinderen keek –Creirwy licht en lief met haar gouden krullen rond haar gevoelige gezichtje en Morfan donker en weerzinwekkend met zijn misvormde gezicht – besloot Ceridwen dat ze voor haar zoontje een remedie zou zoeken: als hij dan niet knap zou kunnen zijn, dan zou hij in ieder geval wijs kunnen worden en in vrede met de wereld kunnen leven.

Ze zou een drankje maken waarmee hij geïnspireerd en verlicht kon worden, ze zou het magische elixer Awen maken.

Ze had de formule om dat drankje te maken niet . . . en het was ook niet te vinden in haar eigen rijk . . . maar hoog in de bergen van Wales, verborgen achter rotsen en bewaakt door adelaars ligt de verborgen stad van de Druïden-alchemisten “Dinas Affaron” . En de bewoners, de Pheryllt zoals deze alchemisten worden genoemd, brouwen in hun grote Cauldron [ketel] het Awen. Drie druppels van dit “heldere weten” zijn voldoende om verlichting te brengen aan diegenen die het waard zijn. Ceridwen liet haar kinderen achter onder de hoede van hun vertrouwde kinderverzorgster en vertrok op haar witte merrie “Wit Schuim” naar Snowdonia, ze reisde dagenlang door de heuvels, en vervolgens door de bergen tot ze uiteindelijk, in het licht van de ondergaande zon, de kristallen torens van “Dinas Affaron” zag schitteren. Snel reed ze door en bereikte de stad van de Pheryllt bij het vallen van de nacht. De zware ijzeren poorten in de ringmuur waren gesloten, maar toen ze er op bonsde werd er één geopend door een donkerharige vrouw met zachte grijze ogen en een zwarte omslagdoek om, die haar zonder iets te zeggen of te vragen naar het centrum van de stad bracht waar de hoogste raad in vergadering bijeen was. Deze hoogste raad, bestaande uit mannen en vrouwen van onbesproken gedrag, hoorde haar verhaal aan. De raad stemde in met haar verzoek om de formule voor het maken van Awen te mogen gebruiken.

De donkere vrouw met zachte grijze ogen begeleidde haar naar de bibliotheek en liet haar achter bij de bibliothecaris. Samen met deze oude magere druïde beklom ze de trap midden in de kristallen toren, voorbij kamers vol oude manuscripten tot ze bovenin een kamer betraden, waar het “Eerste Boek van de Pheryllt” op tafel lag. Daar stond, op pagina’s van versleten perkament, de formule voor het maken van Awen geschreven. De magere bibliothecaris liet haar alleen en Ceridwen zette zich neer en begon met overschrijven van de formule. Nadat ze klaar was werd ze door de donkere vrouw met de zachte grijze ogen naar de poort van de stad gebracht en nadat ze elkaar nog éénmaal diep in de ogen hadden gekeken besteeg Ceridwin haar witte merrie en reed zo snel als de wind terug naar haar kasteel bij het meer van Bala.
In het recept van de Pheryllt stond dat de drank klaar-gemaakt moest worden in een Cauldron [dat is een grote ketel] die gevuld moest worden met vers water, waarin verscheidene kruiden en wortels gestrooid moesten worden die op speciale tijden van de dag en nacht geplukt moesten worden. Er waren ook kruiden bij die bij een bepaalde maanstand geoogst dienden te worden. Vervolgens zou alles gedurende een jaar en een dag moeten worden gekookt in die grote ijzeren ketel en pas dan zouden uit het stomende brouwsel drie druppels van het Druïdenelixer spatten : drie druppel Heldere Wijsheid. Dit zou het elixer zijn dat vernuft, wijsheid en algemeen begrip zou brengen aan diegene die het zou proeven.

Toen haar kinderen ’s avonds veilig lagen te slapen begon Ceridwen met de voorbereidingen voor haar brouwsel. Vlak voordat de wassende maan haar hoogste punt aan de hemel had bereikt liep ze onder de heldere sterren-hemel naar de oevers van het Bala-meer. Ze strekte negen keer haar armen uit naar het meer en bewoog ze vervolgens omhoog naar de maan. Zowel vanuit het meer als vanuit haar schoot voelde ze de omhoogtrekkende energie en zachtjes zong ze: “Uit de schoot, uit het grenzeloze naar de wereld van de tijd, uit de diepte vraag ik U te komen, Oh droombeeld van mij, verlangen van mij, smachten van mij”. En terwijl ze het diepe onbekende aanriep zag ze haar zoon uit het meer opstijgen, stralend van licht, gevuld met licht en met kennis van alle dingen, de knapste dichter, de meest talentvolle bard van het land.

Na het voltooien van deze magie repte ze zich de helling van de berg op naar de smidse van Govannon, die met behulp van de krachten van aarde, vuur, lucht en water en de hulp van de draken van Beli ijzererts omsmeedde tot wapens en wielen. Ze vroeg hem om een grote diepe Cauldron te maken in ruil voor een buidel met zilver-stukken en deze grote ketel af te leveren bij het lege vissershuisje aan de oevers van het meer.

Voor het branden van het vuur onder de ketel gedurende een jaar en dag had Ceridwin bedienden nodig en “toevallig” kwam ze in het bos bij haar kasteel een oude blinde man tegen, die begeleid werd door een jongen.

Zij nam hen beiden onmiddellijk in dienst om voorraden brandhout te hakken en om een jaar en een dag het vuur brandend te houden en op het brouwsel te letten.

De oude blinde man was Morda, wat “Zee-vader” betekent en de jongen die hem aan zijn linkerhand leidde was Gwion Bach, wat “kleine onschuldige” betekent. Morda was al jarenlang kolenbrander in de bossen van Ceridwin en in zijn hart herkende hij de vrouw als de witte Godin van de maan. Verscheidene dagen gingen voorbij voordat Govannon, de smid, laat in de nacht de ketel afleverde bij de hut. Ceridwin maakte de oude man en de jongen wakker en gaf ze opdracht het vuur in de vuur-koof aan te maken, terwijl zij water uit het Bala meer haalde.

Toen ze terug kwam en de ketel op het vuur werd geplaatst waarschuwde ze Gwion en Morda voor de negende keer dat ze nooit iets van het brouwsel mochten proeven.

Ze vertelde er niet bij dat de Pheryllt hadden haar gezegd dat alleen de eerste drie druppels de Heldere wijsheid zouden brengen en de rest van het brouwsel verderfelijke kennis zou brengen en ellende voor iedereen die er mee in aanraking zou komen.

Haar zoon zou de eerste drie druppels dienen te krijgen en de rest van het brouwsel zou verkookt moeten worden tot de ketel wegsmolt.

Terwijl ze de ketel vulde met water, de kruiden en de wortels toevoegde, en ze het brouwsel begon te roeren zong ze de bezweringen die haar waren gegeven door de wijzen uit Dinas Affaron. Daarna keerde ze terug naar haar kasteel.

Gedurende een jaar verzamelden Morda en Gwion brandhout en hielden de Cauldron in de gaten, ze verversten het water als het nodig was, zorgden dat er niets overkookte, vertelden elkaar verhalen en speelden schaak. De zomer veranderde in herfst, de winter kwam en ook weer de lente en voor ze het wisten brak de zomer weer aan. Er was een jaar voorbij. Eén dag voordat Afagddu zijn drie druppels zou ontvangen kwam Ceridwin samen met haar zoon bij hen en zetten ze zich neer in het huisje bij de ketel. Tegen de tijd dat het middernacht werd vielen ze beiden in slaap. Morda merkte dat het vuur uitging en gaf Gwion opdracht er meer hout op te doen. En terwijl de jongen dit deed begon het brouwsel opeens te sputteren en kookte over. Drie gloeiende druppels spatten op de duim van Gwion en veroorzaakten een brandwond. Zonder na te denken stak hij zijn duim in zijn mond en zoog de gloeiende druppels van zijn brandende huid.

De Cauldron krijste alsof hij hevige pijn had en brak met een scheurend geluid in tweeën, waardoor de rest van het brouwsel er uit stroomde, het huisje uit, het meer van Bala in. Het meer en omliggende land werden erdoor vergiftigd, de dieren die aan de oevers graasden waren de volgende dag allemaal dood.Taliesin

Maar op datzelfde ogenblik wist Gwion alles. Hij wist ook in een flits dat Ceridwen zou ontwaken en hem zou proberen de doden. Hij vluchtte weg van het huisje. Op datzelfde moment ontwaakte Ceridwen. Ze wist meteen wat er was gebeurd, sloeg Morda in zijn gezicht en liep krijsend naar buiten.

Ceridwin rende zó hard dat ze Gwion binnen enkele ogenblikken had ingehaald om hem naar de keel te vliegen. Ze strekte haar armen uit en juist op het moment dat haar vingernagels het vlees van zijn nek raakten, kreeg Gwion het inzicht dat hij zichzelf kon veranderen in elke gedaante die hij maar wilde en veranderde hij zichzelf in een haas. En terwijl hij als een haas wegsprong uit de greep van Ceridwen had hij al snel een voorsprong en sprong over greppels en door hagen. Maar Ceridwen veranderde zichzelf met de kracht van de Godin van de veranderende Maan in een gemene zwarte windhond en de jacht zette zich voort, over greppels en door hagen. Op het moment dat de scherpe tanden van de hazewindhond zich vast wilden zetten in het vlees van de doodsbange haas duikelden beide dieren hals over de kop in een snels-tromende beek. Met zijn nieuwe kennis veranderde Gwion zichzelf in een zalm en bewoog zich stroomafwaarts in de richting van de oceaan. Maar Ceridwen veranderde binnen enkele seconden in een otter en zette de achtervolging voort. En op het moment dat de klauwen van de otter uitsloegen om Gwion’s zilveren huid open te scheuren veranderde hij in een vogel en schoot als een pijl omhoog de lucht in. Maar Ceridwen veranderde zich in een havik en vloog al snel hoog boven Gwion. Toen ze zich op hem stortte zag Gwion beneden zich een sorteerplaats van graan. Hij liet zich uit de lucht neervallen en veranderde zichzelf in een graankorrel. Nu zou ze hem nooit meer kunnen vinden. . .

Maar Ceridwin vloog naar de grond en veranderde zichzelf in een grote zwarte kip met rode kam en speurde met haar snavel door het graan en pikte precies tussen de duizen-den anderen net die éne graankorrel op die Gwion Bach was en slikte hem door.

Ceridwin veranderde zich weer in een vrouw en keerde voldaan naar huis.

Maar het zaadje in haar kwam tot leven. Gwion groeide gedurende negen maanden als baby in de schoot van de Godin die geprobeerd had hem te vernietigen. Toen de tijd gekomen was om te bevallen was ze vast besloten hem te doden maar het kind dat werd geboren was zo lief en zo mooi dat ze hem niet kon vermoorden. Ze deed de prachtige baby in een leren zak die ze dichtnaaide en in zee wierp.

Negen maanden dreef de zak op het water en gedurende die negen maanden zat Gwion in het donker; zijn ziel reisde tussen deze wereld en de volgende, hij ontdekte geheimen en leerde liederen. Hij bevond zich in de schoot van de oceaan waar hij de liefde van de Maangodin voelde in de stromingen van eb en vloed en waarin hij de kracht van de Luchtgod voelde in de adem van de wind.

Hij was op weg naar zijn toekomst.

Zijn zak dreef uiteindelijk naar een stok van een vissersnet en bleef daar aan hangen.

Het vissersnet was van Garanhir. Hij had net zijn zoon Elffin er op uit gestuurd om de fuiken in de monding van de rivier leeg te halen en hij had gezegd dat Elffin alles wat hij in de fuiken zou vinden zelf mocht houden. De fuiken zaten altijd vol met zalm en hij wilde zijn zoon daarmee helpen, omdat de jonge man alleen maar pech leek te hebben in zijn leven. Met de verkoop van de vangst zou hij samen met zijn vrouw op grootse manier het Beltane-feest kunnen vieren. Maar Elffin en zijn bedienden vonden geen zalmen en Elffin begon al te weeklagen over zijn lot totdat hij de leren zak ontdekte. Hij haalde de zak uit het water, sneed hem open en staarde verbijsterd naar de baby.

Tegen zijn bedienden riep hij “Kijk eens wat een stralend gelaat : Taliësin”

De baby ging rechtop zitten, keek Elffin met zijn stralende gezicht recht in de ogen en zei lachend: “Ja, ik ben Taliësin”

http://nl.wikipedia.org/wiki/Boek_van_Taliesin

Engels:
http://www.sacred-texts.com/neu/celt/mab/mab32.htm

http://www.pantheon.org/articles/t/taliesin.html

book of Taliesin

The beautiful I sang of, I will sing.
The world one day more.
Much I reason,
And I meditate.
I will address the bards of the world,
Since it is not told me
What supports the world,
That it falls not into vacancy.
Or if the world should fall,
On what would it fall?
Who would uphold it?
The world, how it comes again,
When it falls in decay,
Again in the enclosing circle.
The world, how wonderful it is,
That it falls not at once.
The world, how peculiar it is,
So great was it trampled on.

From the book of Taliesin